Inhoudsopgave
- Wat is PDS precies?
- Rome IV-criteria: de diagnostische standaard
- Subtypes van PDS
- Hoe voelt PDS?
- De brein-darm-as bij PDS
- Onderscheid met IBD: alarmtekens
- Diagnostisch traject bij de huisarts
- Stap 1: Anamnese en lichamelijk onderzoek
- Stap 2: Bloedonderzoek
- Stap 3: Fecaal calprotectine
- Stap 4: H. pylori-test
- Colonoscopie alleen bij indicatie
- Rol van de darmflora
- Leefstijl als eerste stap
PDS — prikkelbare darm syndroom — is een van de meest voorkomende chronische aandoeningen die bij de huisarts worden gemeld. Toch is het voor veel mensen een lange weg voordat de diagnose gesteld wordt. In dit artikel lees je hoe je PDS herkent, welke criteria artsen gebruiken en hoe het diagnostische traject eruitziet.
Wat is PDS precies?
PDS is een functionele darmstoornis: er is sprake van echte klachten, maar bij onderzoek is er geen aantoonbare structurele of biochemische afwijking in de darm. Dit onderscheidt PDS van inflammatoire darmziekten zoals colitis ulcerosa of de ziekte van Crohn, waarbij er wél zichtbare ontsteking of weefselschade is.
Toch zijn de klachten voor de patiënt heel reëel en kunnen ze een aanzienlijke impact hebben op de kwaliteit van leven. Mensen met PDS missen vaker werkdagen, vermijden sociale situaties en hebben een verhoogd risico op angst en depressie.
In Nederland heeft naar schatting 10 tot 15% van de bevolking PDS, waarbij vrouwen vaker getroffen worden dan mannen (verhouding ca. 2:1). De aandoening komt op alle leeftijden voor, maar begint het meest frequent voor het 50e levensjaar.
Rome IV-criteria: de diagnostische standaard
Om een consistente diagnose te stellen, gebruiken artsen wereldwijd de Rome IV-criteria (vastgesteld in 2016). Voor de diagnose PDS moet je voldoen aan het volgende:
Terugkerende buikpijn, gemiddeld minstens 1 dag per week in de afgelopen 3 maanden, die samenhangt met minstens twee van de volgende kenmerken:
- Verband met defecatie — de pijn verbetert of verergert na de ontlasting
- Verandering in defecatiefrequentie — vaker of minder vaak dan normaal
- Verandering in ontlastingsconsistentie — harder, zachter of een wisselend patroon
De klachten moeten minstens 6 maanden geleden zijn begonnen, en de criteria moeten de afgelopen 3 maanden aanwezig zijn geweest.
Subtypes van PDS
Op basis van het dominante ontlastingspatroon worden vier subtypes onderscheiden:
- PDS-C (constipatie-dominant): meer dan 25% van de ontlasting type 1 of 2 op de Bristol Schaal, minder dan 25% type 6 of 7
- PDS-D (diarree-dominant): meer dan 25% type 6 of 7, minder dan 25% type 1 of 2
- PDS-M (gemengd): afwisseling van harde en zachte ontlasting
- PDS-U (ongespecificeerd): voldoet aan criteria, maar past niet in bovenstaande categorieën
Het subtype is relevant voor de behandelkeuze. Bij PDS-C kunnen osmotische laxantia of linaclotide worden overwogen; bij PDS-D is loperamide of rifaximine soms een optie.
Hoe voelt PDS?
De klachten variëren sterk per persoon en per dag. Veelvoorkomende symptomen zijn:
- Buikpijn of -krampen: vaak krampend van aard, wisselt van locatie maar zit veel in de onderbuik
- Opgeblazen gevoel en winderigheid: frequente klacht, verergert vaak na het eten
- Diarree, constipatie of een afwisseling van beiden
- Slijm bij de ontlasting — zonder bloed
- Het gevoel van onvolledige defecatie (tenesmus)
- Urgentie: dringende drang om naar het toilet te gaan
Klachten worden vaak verergerd door stress, bepaalde voedingsmiddelen, menstruatie of veranderingen in de slaapcyclus.
De brein-darm-as bij PDS
Een sleutelconcept bij PDS is de brein-darm-as: de tweerichtingsverbinding tussen het centrale zenuwstelsel en het enterische zenuwstelsel in de darm. Bij PDS-patiënten is er sprake van:
- Viscerale hypersensitiviteit: de darm is overgevoelig voor normale prikkels zoals gas of rekking
- Verstoorde darmmotiliteit: te snelle of te trage peristaltiek
- Verhoogde stress-responsiviteit: het CRF-systeem (corticotropin-releasing factor) reageert overactief
Dit verklaart waarom angst- en depressieklachten zo vaak samen met PDS voorkomen (bij 50 tot 70% van de PDS-patiënten), en waarom psychologische interventies zoals cognitieve gedragstherapie effectief kunnen zijn.
Onderscheid met IBD: alarmtekens
PDS en IBD (colitis ulcerosa, ziekte van Crohn) kunnen in het begin op elkaar lijken. De volgende alarmtekens maken PDS onwaarschijnlijk en vragen om verdere diagnostiek:
- Bloed bij de ontlasting (niet door aambeien)
- Onbedoeld gewichtsverlies (>3 kg)
- Nachtelijke diarree (je wordt er wakker van)
- Koorts
- Leeftijd boven de 50 jaar bij nieuw begin klachten
- Familiegeschiedenis van coloncarcinoom of IBD
- Progressieve klachten die toenemen zonder verbetering
Bij afwezigheid van alarmtekens, een jongere patiënt met typisch PDS-patroon en geruststellend bloedonderzoek, kan de huisarts de diagnose PDS stellen zonder coloscopie.
Diagnostisch traject bij de huisarts
Stap 1: Anamnese en lichamelijk onderzoek
De huisarts vraagt naar het klachtenpatroon, beïnvloedende factoren, eetgewoonten en psychosociale factoren. Een buikonderzoek wordt uitgevoerd om alarmbevindingen uit te sluiten.
Stap 2: Bloedonderzoek
Standaard bij vermoeden PDS:
- CRP en BSE — bij IBD vaak verhoogd, bij PDS normaal
- Volledig bloedbeeld — bloedarmoede past niet bij PDS
- Schildklierfunctie (TSH) — hypothyreoïdie kan op PDS lijken
- Coeliakie-screening (tTG-IgA) — coeliakie geeft vergelijkbare klachten
Stap 3: Fecaal calprotectine
Dit is een marker voor darmontstekingen. Een waarde onder 50 μg/g maakt IBD vrijwel onwaarschijnlijk. Waarden boven 200 μg/g leiden tot verdere diagnostiek, meestal colonoscopie. Calprotectine is een kosteneffectieve manier om PDS te onderscheiden van IBD in de eerste lijn.
Stap 4: H. pylori-test
Bij klachten die ook het bovenste maagdarmkanaal betreffen (dyspepsie, opgeblazen gevoel hoog in de buik) kan een ademtest of fecaal-antigeen test worden aangevraagd.
Colonoscopie alleen bij indicatie
Colonoscopie is niet routinematig nodig bij typisch PDS zonder alarmtekens. Wel geïndiceerd bij persisterende klachten ondanks behandeling, alarmtekens, verhoogd calprotectine of bij patiënten boven de 50 jaar met nieuwe darmklachten.
Rol van de darmflora
Onderzoek toont aan dat bij een deel van de PDS-patiënten sprake is van dysbiose — een verstoorde samenstelling van het darmmicrobioom. Na een darminfectie (gastro-enteritis) ontwikkelt 10 tot 15% van de mensen post-infectieus PDS. Dit suggereert dat de darmflora een rol speelt in de pathogenese.
Probiotica kunnen bij een deel van de PDS-patiënten helpen. Meer hierover lees je in het artikel over probiotica bij PDS.
Leefstijl als eerste stap
Na het stellen van de diagnose begint behandeling bij leefstijladviezen:
- Regelmatig eetpatroon (geen grote maaltijden overslaan)
- Vezels verhogen (oplosbare vezels zoals psylliumvezels zijn beter verdraagzaam dan onoplosbare)
- Voldoende water drinken
- Stressreductie (beweging, ontspanning, slaap)
- Low-FODMAP dieet overwegen bij aanhoudende voedingsgerelateerde klachten
Medicatie (spasmolytici, laxantia, antidiarrhoïca) wordt pas ingezet als leefstijlaanpassingen onvoldoende helpen.
Bronnen
- NHG-Standaard Prikkelbaar Colon — diagnose en behandeling in de eerste lijn
- Mearin F et al. — Bowel Disorders (Rome IV). Gastroenterology 2016 (PMID 27144627)
- Lacy BE et al. — ACG Clinical Guideline: Management of Irritable Bowel Syndrome (PMID 31586550)
- MLDS — Prikkelbare Darm Syndroom: patiëntinformatie
- Waehrens R et al. — Calprotectine en onderscheid PDS-IBD in de eerste lijn (PMID 25779876)
Dit artikel is uitsluitend bedoeld voor informatieve doeleinden en vervangt geen medisch advies. Raadpleeg je huisarts voor persoonlijk advies.